4 dingen die we kunnen leren van het programma Gefileerd

Gefileerd

De afgelopen weken hebben we in vijf afleveringen van het programma Gefileerd kunnen zien wat de gevolgen zijn van onze massaconsumptie. Donderdag 20 februari komt de laatste aflevering van deze reeks op tv; dan zullen de amateurkoks een duurzaam diner gaan bereiden in een toprestaurant. Heb jij de vorige afleveringen al gezien of moet je ze nog terugkijken? Hieronder vind je een samenvatting van de lessen die we kunnen leren uit deze vijf afleveringen van Gefileerd.

Massaconsumptie
De voedingsindustrie is één van de meest vervuilende ter wereld. De productie van voedsel is namelijk verantwoordelijk voor ongeveer 25 procent van de uitstoot van broeikasgassen als methaan en CO2. De aarde warmt dus op, mede door hoe we met voedsel omgaan. Naast invloed op het klimaat, brengt het produceren van voedsel ook milieuproblemen met zich mee. Denk daarbij aan overbevissing, ontbossing en verlies van biodiversiteit. Wij Nederlanders dragen bij aan deze problemen doordat we zoveel voedsel consumeren. Maar naast consumeren, verspillen we ook veel voedsel. De gemiddelde Nederlander gooit namelijk ongeveer veertig kilo goed voedsel per jaar weg. Als we in het huidige tempo voedsel blijven consumeren en verspillen, hebben we in 2050 twee wereldbollen aan landbouwgrond nodig.

Om te zien wat de gevolgen zijn van onze massaconsumptie reisde Jennifer Hoffman voor het programma Gefileerd met vijf foodies naar Thailand om daar te ondervinden hoe rijst, garnalen, kip en vis worden geproduceerd. Dit land is namelijk een van de grootste voedselexporteurs ter wereld, en noemt zichzelf dan ook graag ‘The kitchen of the World’. Er wordt daar voor ongeveer 29 miljard dollar per jaar aan voedsel uitgevoerd. Rijst, garnalen, kip en vis zijn de voornaamste exportproducten. Wat ze van die reis hebben geleerd, lees je hieronder.

De kippenindustrie is massaal
Thailand is de grootste exporteur van verwerkte kip ter wereld. Het land exporteert jaarlijks maar liefst 1,8 miljoen ton kippenvlees, waarvan de helft naar Europa gaat. Nederland, dat zelf vooral verse kip en eieren produceert, is de grootste afnemer. In Nederland eten we namelijk meer dan achttien kilo kip per persoon per jaar. Dat heeft consequenties. Voor één kilo kip is ongeveer 4,5 kilo graan (en dus veel land) en ongeveer 4300 liter water nodig (dat zijn veertig badkuipen vol). Daarnaast worden kippen ingespoten met antibiotica, dat na consumptie in ons lichaam terechtkomt. Ook dragen kippen bij aan de opwarming van de aarde en het mestoverschot.

De regio Ratchaburi in Thailand staat bekend om de kippenboerderijen. De kippen in bijvoorbeeld onze kipnuggets en -burgers komen hier vandaan. De boerderij die de vijf deelnemers aan Gefileerd bezoeken, produceert elke maand 300.000 kippen voor de Thaise en de internationale markt. Deze zijn na zes weken rijp voor de slacht. Om die snelle groei te bereiken, worden ze opgesloten zonder daglicht. Vier keer per etmaal wordt met kunstlicht dag en nacht gesimuleerd, waardoor de kippen denken dat het ochtend is en meer gaan eten. De ene keer dat deze kippen het daglicht zien, is tijdens het vervoer naar de slachterij. Doordat deze beestjes zo snel groeien, hebben ze soms hartproblemen of zakken ze door hun poten. Ook hebben ze veel kale plekken. Daar komt nog eens bij dat in de laatste week dat zo’n plofkip leeft, deze een leefruimte heeft ter grootte van zo’n anderhalf A4’tje. Ook de werknemers in deze fabrieken hebben het zwaar: ze werken veertig dagen aan één stuk, tot de kippen naar de slacht gaan, en hebben dan één weekend vrij.

De kippen uit zulke kippenboerderijen worden na zes weken naar een kippenslachterij gebracht. In de slachterij die de groep bezoekt, worden per dag 120.000 kippen aangevoerd en geslacht. Deze fabriek produceert kip om te verwerken in kant-en-klare halal-maaltijden. De kippen worden met een scherp mes ritueel geslacht. Duizenden per uur. In andere landen gebruikt men CO2-gas om de kippen te verdoven. Omdat kip zo’n favoriet product is, worden er wereldwijd meer dan vijftig miljard kippen gekweekt voor hun vlees. Dat betekent dat er elke seconde ongeveer 2000 kippen worden geslacht. 

Wanneer de kippen geslacht zijn, worden ze verwerkt in de kipverwerkende industrie. Alle kippen die die dag zijn geslacht, verwerkt men dezelfde dag nog. De 500 werknemers van de bezochte fabriek, staan zestig uur per week achter de lopende band om de kippen te ontleden. Iedere werknemer snijdt maar liefst zeventig stukken kip per minuut af. Altijd hetzelfde stuk. Dag in, dag uit. Dit moet zo snel, omdat de fabriekseigenaar de hete adem van goedkopere Aziatische landen in zijn nek voelt. Daarom rolt er in de desbetreffende fabriek elke dag 180.000 kilo kip van de lopende band. Twee werknemers verdienen aan dat werk samen ongeveer 280 euro per maand. Vaak moeten van dat geld ook nog ouders en grootouders onderhouden worden.

Gelukkig zijn er ook alternatieven voor (kippen)vlees. Zo bezoeken de vijf foodies in Gefileerd één van de vele honderden krekelboerderijen in Thailand. Op deze boerderij in Ratchaburi produceert men elke maand 1000 kilo krekels. Deze krekels worden in 45 dagen gekweekt. Ze nemen veel minder ruimte in beslag, ze eten relatief minder, ze poepen relatief minder (dus minder mest) en ze worden op een iets diervriendelijkere manier geslacht. Ze worden namelijk door middel van koeling in een soort winterslaap gebracht. Daarnaast bezoekt de groep een biologische kippenboerderij. Op deze boerderij leven 2000 scharrelkippen. Alles is er circulair. In vergelijking met de andere kippen zien deze er een stuk gezonder uit, ze zijn minder gestrest, hebben meer ruimte en kunnen naar buiten wanneer ze willen. Daarnaast gebruikt men op deze boerderij geen antibiotica en dergelijke. In Nederland heeft de Dierenbescherming voor kippen afkomstig van zulke boerderijen een keurmerk: Het Beter Leven-keurmerk. Hoe meer sterren, hoe beter het leven van de kip. Het nadeel is dat deze kip twee keer zo duur is in de supermarkt. Daarnaast wordt er meer water gebruikt, omdat de kippen langer leven, én ze stoten meer broeikasgassen uit.

De garnalenindustrie is uitputtend
De grote garnalen die bij ons in de supermarkt liggen, komen uit Vietnam of uit de Thaise regio Changwat Krabi. Thailand is de op één na grootste garnalenkweker ter wereld. Het land exporteert jaarlijks ongeveer 500 miljoen kilo garnalen. Deze garnalen worden grotendeels gekweekt in vijvers. Om deze kweekvijvers aan te leggen wordt in hoog tempo mangrovebos gekapt, de kraamkamers van veel vissen. Het verdwijnen van de mangroves is vaak een ramp voor de bevolking aan de kusten; zij verliezen hun natuurlijke bescherming tegen tsunami’s.

De garnalenkwekerij die de groep bezoekt, kweekt per maand 10.000 kilo grote garnalen, bestemd voor de Europese, Chinese en Thaise markt. De hele vijver moet binnen vijf uur leeg zijn, want anders krijgt de fabriek z’n bestelling niet op tijd. De eigenaar krijgt slechts drie euro per kilo garnalen, terwijl we daar in Nederland maar liefst het vijfvoudige voor betalen. Daarnaast slaapt deze garnalenkweker meestal maar een uur of drie per nacht, want hij moet ’s nachts opstaan om te controleren of alles nog in orde is. Een oogst van 3000 kilo kan namelijk zo onverkoopbaar zijn wanneer de garnalen ziek worden. Ook zijn arbeiders moeten hard doorwerken en staan de hele dag in het chloorwater van de kweekvijver. Chemicaliën gebruikt de kweker om de waterkwaliteit te verbeteren. Ook gebruiken de meeste kwekers antibiotica, om garnalen preventief te beschermen tegen ziekten. Die middelen komen in ons lichaam terecht als we die garnalen eten.

De garnalen uit de kwekerij worden naar een garnalenfabriek gebracht. De groep bezoekt een fabriek in Samut Sakhon die is gericht op de internationale markt. Arbeiders pellen er ongeveer 1000 kilo garnalen per dag; dat zijn ongeveer 1000 garnalen per uur. Om aan die hoeveelheid te komen, moet iedere werknemer in vier seconden één garnaal pellen. De garnalenindustrie gaat momenteel slecht in Thailand. Europese afnemers wijken namelijk steeds meer naar omringende landen uit, waar de prijzen nóg lager zijn.

Ook bezoekt de groep een lokale markt, waar garnalen voor de Thaise markt worden gepeld. Daar is het werk nog een tandje zwaarder. Hier zijn de dagen langer, en de lonen nog lager. Dit is werk dat mensen uit Thailand niet willen doen, omdat het heel slecht verdient. Daarom werken er voornamelijk illegalen, mensen uit Myanmar die een beter leven willen. Deze laaggeschoolde werknemers hebben geen rechten en verdienen minder dan het Thaise minimumloon. De mensen die op de markt werken, pellen door tot het werk af is; er zijn geen werktijden, iedere garnaal moet gepeld worden. Er werken, onder andere, twee meisjes uit Myanmar, die net achttien zijn. Ze zijn naar Thailand gekomen omdat er in Myanmar geen werk was. Het geld dat ze verdienen, gaat naar hun ouders. Er blijft zo’n 2500 baht voor henzelf over, dat is zo’n zestig euro per maand. Daarmee moeten ze de huur van hun gemeenschappelijke kamer en hun eten betalen. Hun ouders hebben ze twee jaar geleden voor het laatst gezien. Daar komt nog bij dat ze leven in angst, omdat ze er illegaal zijn.

Gelukkig bestaan er ook duurzaam gekweekte garnalen. Dat wil zeggen zonder gebruik van chemicaliën en antibiotica. De garnalen zijn te herkennen aan een ASC-keurmerk, en zijn iets duurder. Een ander alternatief is zeewier, een ideale vervanger voor dierlijke eiwitten. Daarnaast is het super duurzaam, want er is geen landbouwgrond nodig, geen zoet water, en het heeft evenveel vetten en eiwitten als kip, vlees of garnalen. Als je een zeewierlandbouwgrond zou hebben ter grootte van Nederland, dan zou je heel Europa kunnen voorzien van eiwitten. Van zeewier kan bijvoorbeeld pasta gemaakt worden, maar zeewierpasta is helaas wel vier keer zo duur als de normale variant.

In de visserij is sprake van slavernij
Wereldwijd vangt men jaarlijks ruim negentig miljard kilo wilde vis. De Nederlander eet gemiddeld vijf kilo vis per jaar. Meer dan dertig procent van de vissoorten wordt overbevist waardoor de vispopulatie onvoldoende kan herstellen. Ook in Thailand, met ruim 3000 kilometer kustlijn, is de visserij een belangrijke pijler. Maar de eens zo rijke visgronden van Thailand zijn inmiddels zo geplunderd dat de kapiteins steeds verder weg moeten voor grote scholen vis. De vissers blijven dan maanden op zee.

De groep van Gefileerd vaart mee op een boot die gaat vissen naar ansjovis. Er wordt maar weinig vis gevangen. Daarnaast zorgen de netten die worden gebruikt voor veel bijvangst, zoals haaien, schildpadden en zeesterren. Hier wordt veevoer van gemaakt. De vissers op de boot verdienen vijftien euro per dag. Door overbevissing moeten schepen steeds verder op zee om genoeg te vangen. Over het algemeen keren boten daardoor pas na twee maanden vissen naar huis, maar soms varen de vissers ook jaren op zee. Echter, Thaise vissers willen niet meer zo lang wegblijven. Daarom bestaan veel bemanningen uit moderne slaven. Dit zijn veelal Birmese migranten die gedwongen worden te werken op schepen en extreem lange dagen maken. Hun familie weet vaak niet eens waar ze uithangen en of ze überhaupt nog in leven zijn. Het is de duistere kant van een miljoenenindustrie waarover men in Thailand liever niet praat.

Nadat de vis is gevangen, gaat deze naar de visverwerkingsindustrie. Samut Sakhon is het kloppend hart van deze industrie in Thailand. De groep gaat aan de slag bij een visverwerker die filets exporteert naar Europa en China. Elke dag wordt daar 3000 kilo visfilet met de hand geproduceerd. De marges op vis zijn laag en de kwaliteitseisen hoog. De gemiddelde werknemer produceert aan de snijtafels dertig kilo filet per uur, dat zijn vijf filets per minuut. De eigenaar krijgt slechts drie euro voor een kilo filet. Dat is een habbekrats in vergelijking tot wat wij hiervoor in Nederland betalen, minimaal het vijfvoudige. De vele duizenden gelukszoekers die naar Samut Sakhon zijn getrokken, slapen in de buurt van de fabriek. De armoede in deze fabrieksstad is groot. De lonen voor ongeschoold arbeid zijn laag en de toekomst is voor velen onzeker.

Gelukkig bestaat er ook duurzaam gevangen vis, met een keurmerk; het MSC-keurmerk. Dit houdt in dat er alleen vissen worden gevangen waarvan de visstand gezond is, de bijvangst wordt beperkt en er geen sprake is van dwangarbeid. Een alternatief voor dierlijke eiwitten is ook de sojaplant. De sojaboon bestaat voor 35 procent uit eiwitten en is een vervanger voor vlees en vis. Het nadeel is dat voor het verbouwen van sojabonen regenwouden worden gekapt. Ook raakt de grond uitgeput en vervuilen de pesticiden en de kunstmest het water. Gelukkig bestaat er ook, zoals bij de fabriek die de groep bezoekt, duurzame en biologische soja.

De armoede in de rijstindustrie leidt tot sekswerk
Rijst is het meest geconsumeerde voedsel ter wereld. Maar er is ongeveer 5000 liter zoet water nodig om één kilo rijst te verbouwen. Rijst groeit namelijk meestal in water. Door het rottingsproces van blaadjes en takken in dat water, komen veel schadelijke gassen vrij, zoals het broeikasgas methaan. Rijstteelt is daarom verantwoordelijk voor tien procent van de methaanuitstoot op aarde. Om ongedierte te bestrijden gebruikt men ook nog eens pesticiden. 

Thailand is dé rijstschuur van de wereld en maar liefst veertig procent van de bevolking werkt in deze sector. Isaan is een van Thailands armste regio’s, waar het landschap vooral bestaat uit rijstvelden. De jonge rijst moet op die rijstvelden worden herplant en dat moet binnen één dag gebeuren. Daarom plant één werknemer zo’n 3000 plantjes per dag. De afgelopen twee jaar is er minder rijstopbrengst door aanhoudende droogte. Voor de boer hangt er dus veel vanaf. De opbrengst voor een boer is ook nog eens mager. Hij krijgt slechts zeventien cent per kilo van de rijstfabrieken.

In die fabrieken is er door de enorme droogte ook minder werk voor de arbeiders. Veel van die arbeiders zijn jongeren, omdat die liever in de fabrieken werken dan op de rijstvelden. Ze werken elke dag in de fabriek en verdienen zo’n negen euro per dag. Dat geld is ook nodig om familie te ondersteunen. De armoede in de rijstgebieden is groot. Rijstverbouw levert maar heel weinig op doordat er geen vaste prijs is. De situatie op de markt is leidend. India, Vietnam en Cambodja exporteren momenteel ook veel rijst waardoor het aanbod groot is en dus de prijs laag ligt. De concurrentie is moordend.

Omdat op het platteland nauwelijks valt rond te komen in de rijstindustrie, vertrekken veel mensen naar de stad. Veel jongeren hopen daar werk te vinden en zo hun familie te kunnen onderhouden. Maar steden als bijvoorbeeld Bangkok zijn duur, dus in de fabrieken verdienen ze niet genoeg geld waardoor meisjes uiteindelijk in de seksindustrie terechtkomen. In Bangkok geven toeristen jaarlijks miljoenen uit aan deze industrie. Volgens de laatste telling zijn er zo’n 300.000 vrouwen aan het werk in de seksindustrie in Thailand. Negentig procent daarvan komt van het arme platteland.

Een alternatief dat het programma Gefileerd aandraagt, is rijst met een fairtradekeurmerk. Voor deze rijst krijgen boeren meer betaald. Ze verenigen zich in coöperaties en krijgen bonussen als ze biologisch werken. Hierdoor is deze rijst voor de Nederlandse consument twee keer duurder, maar verdient men in Thailand wel genoeg zodat jonge meisjes niet in de seksindustrie hoeven te werken.

Foto: Ferry Knijn

Lees ook: 6 dingen die we kunnen leren van het programma Genaaid

Geef een reactie